Home


Hongarije


Gidsen


Vakantiefoto’s


Vertalingen


Links


Hongaars Volkslied.

Het lied werd in 1844 voor het eerst gezongen in het Nationale Theater in Pest, maar het werd pas in 1903
officieel tot het volkslied van Hongarije uitgeroepen. Himnusz bestaat eigenlijk uit acht coupletten, maar bij
officiele gelegenheden wordt meestal maar eerste couplet van het Hongaarse volkslied gespeeld.

 

 

Vertaling komt van het Wikipedia artikel over Hongarije...
Isten, áld meg a magyart
Jó kedvvel, boséggel,
Nyújts feléje védo kart,
Ha küzd ellenséggel;
Bal sors akit régen tép,
Hozz reá víg esztendot,
Megbünhödte már e nép
A multat s jövendot!
God, zegen de Hongaren
Met goede zin en overvloed,
Reik hun uw beschermende arm,
Als ze strijden met de vijand,
Lang verscheurd door een kwaad lot,
Breng hun nu een blijde tijd,
Dit volk heeft reeds geboet
Voor het verleden en de toekomst!
O"seinket felhozád
Kárpát szent bércére,
Általad nyert szép hazát
Bendegúznak vére.
S merre zúgnak habjai
Tiszának, Dunának,
Árpád ho"s magzatjai
Felvirágozának
Onze voorvaderen bracht U
Naar de heilige toppen van de Karpaten,
Door U werd een mooi vaderland gewonnen
Voor 't nageslacht van Bendegúz.
En waar de golven ruisen
Van de Tisza en de Donau,
De dappere telgen van Árpád
Zullen er tot bloei komen.
Értünk Kunság mezein
Ért kalászt lengettél,
Tokaj szo"lo"vesszein
Nektárt csepegtettél.
Zászlónk gyakran plántálád
Vad török sáncára,
S nyögte Mátyás bús hadát
Bécsnek büszke vára.
Omwille van ons op de Koemaanse velden
Deed U de aren wiegen,
De wijnranken van Tokaj
Deed U van nectar druipen.
Dikwijls plantte U ons vaandel
Op de schansen van de wilde Turken,
En Mátyás' grimmige leger tergde
De trotse burcht van Wenen.
Hajh, de bu"neink miatt
Gyúlt harag kebledben,
S elsújtád villámidat
Dörgo" fellegedben,
Most rabló mongol nyilát
Zúgattad felettünk,
Majd törökto"l rabigát
Vállainkra vettünk.
Maar helaas, om onze zonden
Ontstak Uw borst in toorn,
En U sloeg met Uw bliksem
In uw bulderende wolken,
De pijlen der plunderende Mongolen
Bracht U nu eens over ons,
En 't slavenjuk der Turken
Namen wij dan weer op onze schouders.
Hányszor zengett ajkain
Ozman vad népének
Vert hadunk csonthalmain
Gyo"zedelmi ének!
Hányszor támadt tenfiad
Szép hazám kebledre,
S lettél magzatod miatt
Magzatod hamvedre!
Hoe vaak niet klonk op de lippen
Van Osmans woeste volk
Op de botten van ons verpletterd leger
Een overwinningslied!
Hoe vaak stonden Uw zoons,
Mijn vaderland, op tegen Uw borst,
En werd U omwille van Uw telgen
Tot dier graftombe!
Bújt az üldözött s felé
Kard nyúl barlangjában,
Szerte nézett s nem lelé
Honját a hazában,
Bércre hág és völgybe száll,
Bú s kétség mellette,
Vérözön lábainál,
S lángtenger fölötte.
De vluchteling verborg zich en tot hem
Strekte zich het zwaard in zijn grot,
Overal keek hij maar hij vond niet
Zijn thuis in het vaderland,
Toppen besteeg hij, in dalen trad hij neder,
Smart en wanhoop naast hem,
Plassen bloed onder zijn voeten,
Boven hem een zee van vuur.
Vár állott, most ko"halom,
Kedv és öröm röpkedtek,
Halálhörgés, siralom
Zajlik már helyettek.
S ah, szabadság nem virúl
A holtnak vérébo"l,
Kínzó rabság könnye hull
Árvánk ho" szemébo"l!
Er stond een burcht, nu slechts een puinhoop,
Geluk en blijdschap vervlogen,
Doodskreten en geweeklaag
Hebben hun plaats ingenomen.
En ach, vrijheid bloeit niet
Uit het bloed van de doden,
De tranen der kwellende slavernij stromen
Uit de vurige ogen der wezen!
Szánd meg isten a magyart
Kit vészek hányának,
Nyújts feléje védo" kart
Tengerén kínjának.
Bal sors akit régen tép,
Hozz rá víg esztendo"t,
Megbünhödte már e nép
A multat s jövendo"t!
God, erbarm U over de Hongaren
Getroffen door rampspoed,
Reik hun Uw beschermende arm
Op hun zee van kwelling.
Lang verscheurd door een kwaad lot,
Breng hun nu een blijde tijd,
Dit volk heeft reeds geboet
Voor het verleden en de toekomst!